Deze website draagt het AnySurferlabel, een Belgisch kwaliteitslabel voor toegankelijke websites. Meer informatie vindt u op www.anysurfer.be.
| Kinderen, jeugd & familie | Onderwijs, werkgelegenheid & opleiding | Evenementen, cultuur, sport & recreatie | Geschiedenis & folklore | Stedelijke ontwikkeling & huisvesting | Milieu & reinheid |
| Wijkcontracten | Sociaal aspect & gezondheid | Openbare werken & mobiliteit | Preventie & veiligheid | Inspraak & burgerschap | Handel, economie & financiën | Europa & internationaal |
De Zavel was vroeger een zavelberg ten zuiden van de omwalling van Brussel. In 1299 werd beslist om het kerkhof van het Sint-Jansziekenhuis naar die plaats te verhuizen. Vijf jaar later stond het ziekenhuis een deel van het terrein af aan de Gilde van kruisboogschutters om er een kapel te bouwen voor de Onze-Lieve-Vrouw. De kapel was klaar in 1318, maar werd volledig heropgebouwd in de 15de eeuw. Ondanks vele klachten bleef het kerkhof ten oosten van de kerk liggen (aan de kant van de Kleine Zavel), tot de verplaatsing naar de Montserratkapel in 1704.
Tot 1754 had er elke vrijdag een paardenmarkt plaats op de Grote Zavel [kaart]. Een deel van de markt diende ook als houtmarkt. Op het plein bevond zich ook een waterreservoir dat diende als drinkplaats voor dieren en als waterreserve bij brand. In 1661 werd het reservoir vervangen door een fontein. In 1751 moest de fontein wijken voor een nog groter en indrukwekkender exemplaar: een werk van Jacques Bergé in opdracht van het testament van lord Thomas Bruce, graaf van Ailesbury. Deze Schotse edelman leefde als politiek vluchteling in Brussel van 1696 tot zijn dood in 1741. Bruce verbleef in een hotel ten westen van de Zavelkerk (op de plaats van de huidige antiekmarkt). Bij zijn dood schonk hij de Stad een fontein als dank voor de jarenlange gastvrijheid.
De kapel, die de Zavelkerk werd, was niet het centrum van een parochie. Ze werd pas in 1801 een bijhuis van de Onze-Lieve-Vrouw ter Kapellekerk. Ondanks dat feit speelde de kapel een belangrijke rol in de geschiedenis van Brussel. Vanaf de 14de eeuw begon daar de verering van de Onze-Lieve-Vrouw, de beschermheilige van de Gilde van kruisboogschutters. Deze verering vormde de basis voor de Ommegang, die nu nog elk jaar plaatsvindt.
In de 16de eeuw begon de residentiële wijk rond het paleis van Brussel (het huidige Koningsplein) steeds verder uit te breiden naar het zuiden. De belangrijkste families kwamen zich op de Zavel vestigen. Sommigen liggen zelfs begraven in de kerk. Zo vestigden de Thurn en Taxis, de keizerlijke postmeesters, zich in een fraai paleis met mooie tuinen tegenover de Zavelkerk. Daar bouwden ze ook hun rouwkapel, versierd met de intussen wereldberoemde wandtapijten. Tijdens de barok vervingen ze de kapel door de huidige en kwam er een 2de kapel bij. De Thurn en Taxis bleven op de Zavel tot hun verhuis naar Regensburg in 1701. Ook het Egmontpaleis en het Hotel de Merode zijn getuigen van deze glorietijden van de Zavel.
In de 19de eeuw onderging de wijk een hele verandering. De Regentschapsstraat [kaart] werd aangelegd, de noordelijke helft in 1827, de zuidelijke helft in 1872. In die straat verschenen de Musea voor Schone Kunsten, het Conservatorium en de Grote Synagoge. De Zavelkerk werd vrijgemaakt door de sloop van de huizen errond. Tegenover de kerk, in de Regentschapsstraat, kwam een nieuwe plaats vrij, de Kleine Zavel. Daar werd in 1890 de Egmontsquare geopend. Aan de andere kant van de Grote Zavel kwamen 2 nieuwe verbindingen met de benedenstad: de Joseph Stevensstraat (1894), met een mooi uitzicht op de Kapellekerk, en de Joseph Lebeaustraat (1893), die een flinke kromming kreeg om de hellingsgraad van de weg te verminderen. De Rollebeekstraat [kaart], de oudste verbinding met de benedenstad, werd de eerste autovrije straat van Brussel.
Vandaag is de Zavel vooral bekend om de antiekmarkt die er elk weekend plaatsvindt en door de vele antiquairs die er gevestigd zijn. Een recente ontwikkeling is de komst van een heleboel Belgische chocolatiers en confiseries.